Citaat van: veldmeijer op zondag 27 september 2026, 11:56:42Maar hoe kan een kortkoppeling van invloed zijn op de middelste as?
Dat is 'm nou net maar de vraag! Recht af op de kern.
Laat ik beginnen met te herhalen dat ik zelf geen 3-assers heb, of het zouden 2 locjes moeten zijn.
Eerst over dat middelste wiel. Als het goed is, dan zit daar speling in: de as kan een beetje naar buiten (buitenbocht) en een beetje naar binnen (binnenbocht). De twee andere assen zijn star gemonteerd.
Ik denk dat dit zo werkt, omdat het zo is bij locs met 3 assen zoals de DHG-500. Daardoor kan een 3-asser makkelijker door krappe bogen rijden. Overigens, bij locs met 3 assen kan daardoor een massa afname probleem ontstaan op de middelste as. De middelste as zit dan ook vaak net een fractie hoger (veegt alleen maar zo'n beetje mee).
Je voelt 'al aankomen?
Dan over wat de kortkoppeling zelf doet. De kortkoppeling trekt de starre buitenste assen dichter op elkaar. Kortkoppelingen kun je eigenlijk alleen maar gebruiken op rails met een grotere radius dan 400 mm, dat was althans het advies van de Morep.
Maar als je geen keus hebt, dan rijd je op 5100 (360 mm, fingers crossed). Je gokt erop dat het toch wel zal kunnen.
Het kortkoppelingsmechanisme (KKK) is niet het zelfde als de kortkoppeling (KK) zelf. Heel wat wagons hebben wel KK gekregen, maar geen KKK.
KKK is een extra mechanisme dat het mogelijk maakt dat de koppeling in het midden van de rails (boven de pukkeltjes) blijft, ook in bogen. Als een boog krapper is dat het KKK-mechanisme aankan, dan overstuurt de kortkoppeling de wagon, en zet daardoor spanning op het middelste wielstel.
Drie-assige wagons hebben geen draaistel. En dus geen naar binnen gelegen draaistelas. maar als ze KKK hebben, dan werkt dat net zoals een draaistel doet. Maar met 1 verschil: de afstand tussen het draaipunt van het KKK-mechanisme en de wagon-buffers is veel korter.
Ik wijs daarop omdat ik ooit, voor een ander doel, heb berekend wat het effectief profiel vrije ruimte is dat rekening houdt met overhang en uitzwenking van een wagon. Bij een wagon met draaistellen is de afstand van de spil waaromheen elk draaistel draait tot aan de buffers bepalend voor de uitzwenking van de kopse kant van een wagon (dat was een stukje vectormeetkunde). Zo had ik ook een formule bedacht voor de overhang van een wagon. En door met beide rekening te houden, kon ik uitrekenen hoe dicht sporen op elkaar mochten liggen (veel dichter dan volgens Märklin kon). Voor mij had dat zin (buigzame rails) maar voor jou veel minder.
Toch, als je vanuit die analyse kijkt naar 3-assers (al dan niet uitgerust met KKK), dan zie je wat ik bedoel: een drieasser heeft amper overhang. Een drieasser heeft ook amper uitzwenking. En daar ga je dan aan trekken met KK (en misschien ook met KKK).
Met KK trek je de wagonuiteinden naar de binnenkant van een boog. Alsof die boog krapper is dan die is.
Met KKK corrigeer je het oversturen van KK. Je maakt de KK krapte weer net iets minder krap.
Maar de winstmarge van KKK is zeer gering, en de afstand van het KKK-draaipunt tot aan de wagonbuffer is misschien maar een cm.
Theoretisch is dat plan tot mislukken gedoemd: vector meetkunde gaat de grens over van wiskunde (landmeetkunde) naar natuurkunde (krachten berekening). Ik heb geen korte wagons. Ik heb dus ook geen idee of ik er helemaal naast zit. Maar van de formules word ik ook niet vrolijk.
Je moet hiervoor bij een praktijkkenner zijn, iemand zoals henkv die ervaring heeft met het inbouwen van KKK-mechanismes in korte wagons.
Hij heeft het vast niet alleen gedaan omdat hij KK mooier of realistischer vindt.